Ministerie van wonen, niet van woningmarkt

Anderhalf jaar geleden concludeerde een Tweede Kamer commissie onder leiding van Kees Verhoeven wat iedereen al wist: huizenprijzen zijn in Nederland lange tijd veel te hard gestegen. Met exotische financieringsvormen en steeds soepeler regels kon het maximaal te lenen bedrag worden opgerekt – met een zeepbel tot gevolg.

Inmiddels kan de pijnlijke conclusie worden getrokken dat het rapport niet of nauwelijks tot politieke actie heeft geleid. Bij enkele lopende acties zoals de verplichting om af te lossen of het terugdringen van de corporatiesector mocht het achteraf als onderbouwing dienen, maar dat was het dan zo’n beetje. Het enige statement dat nog wél volgde, was een verzoek van de Tweede Kamer om voortaan regelmatig op de hoogte te worden gehouden van de prijsontwikkeling van woningen. Want dít mocht niet nog een keer gebeuren.

De woningmarkt laat een breed herstel zien, het vertrouwen is terug, het aantal woningverkopen stijgt en de prijzen gaan gestaag omhoog. Ook de bouwsector profiteert van dit herstel en ziet de omzet stijgen.

Vorige week was het weer zover en stuurde minister Stef Blok van Wonen zijn eigen rapport ‘de staat van de woningmarkt’ naar de Tweede Kamer. Wie echter verwacht antwoord te krijgen op de vraag of zich een nieuwe zeepbel aan het vormen is komt bedrogen uit. In de begeleidende brief schrijft de minister dat er ‘breed herstel’ op treedt, volgend op de door hem genomen maatregelen.

Zo hebben lagere overdrachtsbelasting en financierbaarheid van restschulden ‘bijgedragen’. Concrete aanwijzingen hoe dit herstel van de woningmarkt zich dan laat kwantificeren staan ook in de brief: ‘het vertrouwen is terug, het aantal woningverkopen stijgt en de prijzen gaan gestaag omhoog. Ook de bouwsector profiteert van dit herstel en ziet de omzet stijgen.’

Kortom; álle seinen staan op groen, het beleid van deze minister is één groot succesverhaal. Op naar de verkiezingen!

Maar. Dat was de vraag toch helemaal niet? Zouden we hier geen aandacht moeten besteden aan de vraag of de prijsstijgingen nog wel gezond zijn? Of op zijn minst of de 10 procent prijsstijging afgelopen jaar in Amsterdam nog realistisch is? Waar deze ‘staat van de woningmarkt’ in het leven was geroepen om te monitoren op onverantwoorde prijsstijgingen, wordt nu al weer zonder enige nuance of weging het duurder worden van huizen gepresenteerd als ‘positief’. Terwijl het rapport nota bene melding maakt van het met zo’n tien procent uit elkaar groeien van leencapaciteit en huizenprijzen.

CRmVMUzVEAAJHl7

Dit is toch de minister van Wonen?

Niet alleen beschrijven de indicatoren slechts de omvang van de markt, er wordt geen enkele poging ondernomen om een streefwaarde te benoemen. Zo kan nu wel gevonden worden dat een toename in woningtransacties goed is, ik ben wel benieuwd welk aantal dan optimaal is volgens de minister. Ik neem aan dat hij niet pas tevreden is als iedereen ieder jaar verhuist. Toch?

Uiteindelijk is het aantal transacties maar een oppervlakkige benadering van wat de overheid in mijn ogen zou moeten meten; of de markt aansluit bij hoe we willen wonen. Of we van ons huis af kunnen komen als we weg willen, maar ook of we een huis kunnen vinden dat groot genoeg is voor gezinsuitbreiding. Of we in het (huur-)huis kunnen blijven waar we zo graag zijn is al helemaal niet te lezen in de omvang van de transacties en huizenprijzen.

Waarschijnlijk is er groot politiek gewin te halen bij stijgende huizenprijzen. Maar laten we vooral nu de rente enorm hard gedaald is vooral de lessen over zeepbellen uit het verleden niet vergeten. En hoewel de rapporten en indicatoren die het kabinet hanteert anders doen vermoeden, hebben we een minister van Wonen. Niet van woningmarkt.